De schrijver vertelt zijn zoon Jair het levensverhaal van hun familie, dat begint bij grootvader James in Paramaribo in 1936. Als jongen van acht verkoopt James elke ochtend eieren op de markt en moet hij hard werken thuis. Zijn broer Max overlijdt jong, wat een blijvende indruk achterlaat. In 1950 vertrekt James als hulponderwijzer naar Nederland om verder te studeren, maar hij krijgt daar te maken met kou, racisme en moeite om werk te vinden. Toch weet hij een baan te krijgen en groeit hij uit tot een geliefde onderwijzer. Tijdens zijn studie ontmoet hij Margaret, met wie hij trouwt. Door discriminatie besluiten ze terug te keren naar Suriname, waar het gezin verder groeit. Margaret verlangt echter opnieuw naar Nederland en uiteindelijk verhuist de familie in de jaren zestig naar Hengelo, waar James wiskundeleraar wordt.
Hun zoon Jeffrey groeit op tussen pesterijen, maar ontdekt zijn talent voor entertainment en ontwikkelt zich tot een bekende artiest. Wanneer hij later zelf vader wordt, beseft hij hoe belangrijk familieverhalen zijn. Hij eert de kracht, worstelingen en veerkracht van eerdere generaties en wil Jair meegeven dat hij trots mag zijn op zijn afkomst en altijd zichzelf mag zijn.
| Vestiging | Locatie | Beschikbaarheidsinformatie |
| Literatuur- geel |  | Aanwezig | Info |
Aantal reserveringen voor dit item: 0