De zestienjarige Salomé groeit op in een Brabants dorp als dochter van een Kameroense vader en een Nederlandse moeder. Al op jonge leeftijd wordt ze geconfronteerd met vragen over haar identiteit, vooral door haar kroeshaar en haar huidskleur. Een vakantie naar Kameroen geeft haar tijdelijk een gevoel van thuishoren, maar terug in Nederland krijgt ze steeds vaker te maken met racisme, vooral wanneer er een asielzoekerscentrum in het dorp komt.
Op het gymnasium wordt Salomé zwaar gepest, terwijl haar thuissituatie verslechtert door geldproblemen en de ziekte van haar vader. Haar woede en frustratie uiten zich in agressief gedrag, wat uiteindelijk escaleert wanneer ze tijdens een gevecht een klasgenoot ernstig verwondt. Ze wordt veroordeeld tot zes maanden jeugddetentie.
In de gevangenis worstelt Salomé met haar identiteit, haar woede en haar verleden. Ze volgt therapie, leest veel en bouwt een hechte vriendschap op met medegevangene Marissa. Via boeken en brieven van haar tante Céleste leert ze haar woede te zien als iets dat omgevormd kan worden tot kracht. Aan het einde van het verhaal zet Salomé een eerste stap om zichzelf terug te claimen door openlijk haar naam te noemen en haar bestaan op te eisen.
| Vestiging | Locatie | Beschikbaarheidsinformatie |
| |  | Aanwezig | Info |
| |  | Aanwezig | Info |
| |  | Aanwezig | Info |
| |  | Aanwezig | Info |
| |  | Aanwezig | Info |
Aantal reserveringen voor dit item: 0
Misschien is dit ook iets voor jou: